Piano

piano 20In heel veel huiskamers staat-ie: dat grote, zwarte of bruine bakbeest, grijnzend met een indrukwekkende rij witte en zwarte tanden die we toetsen noemen. De PIANO heette vroeger het KLAVIER, maar dat was wat verwarrend: want de rij toetsen die we aanslaan om een leuk melodietje te horen, noemen we ook een klavier. Zo heeft een orgel soms twee of meer klavieren en een clavecimbel ook.

Dat klavecimbel is een instrument waar we het even over moeten hebben, want dat apparaat, heel populair in de tijd van Bach en Händel, ging aan de piano vooraf. Er zijn mensen die zeggen: als de goede Johann Sebastian Bach de piano had gekend, dan had hij er vast voor geschreven. Maar die mensen vergissen zich: Bach kénde de piano al, want die werd tijdens zijn leven uitgevonden door een zekere meneer Christofori (zo rond 1710). Maar de grote Bach gaf toch de voorkeur aan het clavecimbel met zijn verfijnd geluid: de snaren in het clavecimbel werden aangetokkeld, maar die van de piano worden aangeslagen. Door hamertjes, geen houten hamers, maar met zachte vilten koppen. Toch was het geluid van de piano al gauw harder dan dat van het clavecimbel. En er was nóg een groot voordeel: je kon er hard en zacht op spelen. Daarom heette het instrument in het Italiaans ook een pianoforte: piano betekent ZACHT, forte betekent HARD. Een instrument voor hard en zacht dus, hoewel er nog steeds pianisten zijn die er vooral hard op willen spelen.

Tegenwoordig vinden we de “pianoforte” dus in heel veel huiskamers. Voor sommige kinderen is het een soort beloofd land: als je groot bent, mag je op pianoles. Voor andere kinderen is het een dreigend monster: “Zorg dat je je pianoles goed kent, anders…” Maar goed, de piano is dus niet meer weg te denken uit onze huiskamers, net als zijn grote broer, de vleugel. Evenals die grote broer is de vleugel ouder: het idee om de klankkast van de piano rechtop te zetten komt uit de negentiende eeuw. Die grote broer had trouwens in de tijd van Haydn en Mozart, eind 18e eeuw, een veel lichtere klank: de snaren waren dunner, de hamertjes lichter, het mechaniek eenvoudiger. Gaandeweg ging men allerlei vernieuwingen aanbrengen: het instrument was in korte tijd zo geliefd geworden dat het rond 1780 het clavecimbel al grotendeels had verdrongen. In die tijd schreef Mozart zijn geweldige serie pianoconcerten, of eigenlijk vleugel-concerten. En even later schreef Beethoven een heel grote forse pianosonate speciaal “voor het hamerklavier”.

Eén van de vernieuwingen die men aanbracht, was een ingewikkeld mechaniek om heel snel tonen te kunnen herhalen: het repetitie-mechaniek. In de tijd van grote pianocomponisten als Schumann, Chopin en vooral Liszt wilde men nóg meer klank uit het instrument krijgen: de snaren werden dikker, het ijzeren frame waar de snaren aan vastzitten moest dus ook zwaarder worden. Aan het eind van de negentiende eeuw had de vleugel zo ongeveer zijn definitieve, forse en loodzware karakter gekregen en had de rechtopstaande, kleinere vorm, de piano, vele huiskamers veroverd. Om een grotere en rondere klank te krijgen, liet men alle tonen, behalve de laagste, door meer snaren tegelijk klinken. En omdat de snaren al snel te lang door zouden klinken en zo een soort klankbrei zouden veroorzaken, zette men boven op het toch al ingewikkelde mechaniek dempers met ook weer vilt, om de snaren af te dempen.

Als jullie thuis een piano hebben moet je je ouders maar eens vragen of-ie open mag. Dan zul je hamertjes en dempers goed kunnen zien. Je moet dan ook letten op de pedalen onderaan het instrument. Het rechterpedaal wordt ten onrechte ook wel eens het “harde” pedaal genoemd. Maar het dient alleen om de dempers weg te halen en de tonen dus te laten doorklinken als de hamertjes na de aanslag vanzelf weer terug zijn geveerd. Het linker pedaal werkt bij de vleugel anders dan bij de piano. Bij de piano wordt het héle mechaniek dichter bij de snaar gebracht zodat de aanslag wat zachter wordt. Maar bij de vleugel verschuift het hele klavier -jullie weten nu wat dat is- zodat de hamertjes wanneer je een toets aanslaat niet bijvoorbeeld drie, maar twee snaren aanslaan; je krijgt dus een klankkleur-verschil.

Al is een piano eigenlijk een tussenvorm tussen een snaar- en een slaginstrument (er zijn moderne componisten als Bartók en Prokofjev die de piano of vleugel vaak als slaginstrument gebruiken), toch kan dit virtuoze instrument, waar je razendsnelle loopjes op kunt spelen, ook prachtig zingen. Daarvoor hoef je maar naar de sonates van Schubert, de nocturnes van Chopin of de “Liederen zonder woorden” van Mendelssohn te luisteren. Maar dan liefst wel gespeeld door grote pianisten zoals Alfred Brendel, Murray Perahia, Zoltan Koczis, Mario Tipo of Maurizio Pollini, om maar een paar van de grote namen van tegenwoordig te noemen. Of je moet oude grammofoonplaten beluisteren van Stephan Ashkenaze, Clara Haskil of Arthur Rubinstein. Want de geschiedenis van de piano is ook die van een hele serie beroemde pianisten, te beginnen bij Mozart en Beethoven.

Lesvormen: individueel, duoles, trioles
Docenten: Chi-Han Chai,  Johann Markel, Henk Mak van Dijk, Froukje Degenaar, Elfride van Bemmelen, Martine Brouwer, Trienke San Giorgi, Peter le Feber, Eke Simons, Rein Godefroy (+jazzpiano)